Hoe speel je het ?

Het spel bestaat uit 25 kaarten in totaal; één kaart voor ieder middel. Op iedere kaart staat een algemene tekst over het middel en één over een online variatie. Op de achterkant van iedere kaart staat een screenshot met een voorbeeld van het middel en een marker. Deze marker kan de speler voor een (web)camera houden en dan ziet de speler in augmented reality meer online voorbeelden.

De speler kan kiezen voor een gestructureerde lineaire spelvorm maar ook voor een associatieve spelvorm die meer van de creativiteit vraagt. Een crossmediale middelenmix is het eindresultaat.


Lineaire spelvorm

Via een vijftal stappen wordt de groep of het individu geloodst naar een set kaarten. Deze kaarten stellen een crossmediale middelenmix voor die gebruikt kan worden in crossmediale strategie. Op basis van de vragen en de categorieën die op de kaarten staan, vallen telkens – als bij een knock out show – kaarten af. Het spel stopt na vijf stappen of als er nog slechts drie kaarten over zijn.

De stappen zijn:

  1. Welke doelgroep? [Vrij naar Edward Freeman]
  2. Welke doelstelling? [Cees van Riel]
  3. Soort boodschap? [Pieter Kok]
  4. Wat is de time-to-market van de uiting en wat is de gewenste diepte van de inhoud?
  5. Beschikbare budget? Laag (€), middel (€€) of hoog (€€€)

Er kan gekozen worden om bij aanvang van het spel kaarten te laten afvallen, omdat deze – om redenen – niet gewenst zijn.

Deze spelvorm heeft niet alleen een middelenmix als resultaat, het stelt tevens de juiste vragen die beantwoord moeten worden bij het opstellen van een communicatiestrategie. De tussentijdse vragen, antwoorden en de eventueel gevoerde discussie is dus minstens even interessant als de resulterende middelenmix.

Associatieve spelvorm

Via storytelling komt een viertal spelers tot een goed gezamenlijk verhaal als antwoord op een (marketing) communicatie doelstelling. De vier spelers krijgen/selecteren als groep random – ‘blind’ – vier kaarten. Er is dus één set van vier kaarten voor de groep en niet één per persoon.

De groep kijkt vervolgens naar de set en bedenkt hoe deze random gekozen middelenmix past op het gestelde communicatiedoel. Het beste werkt het als men hierover van gedachten wisselt. De groep verzint dus een verhaal met deze random middelenmix. Ieder verzint dan alvast welke kaart hij of zij het minst vind passen in de mix.

Ieder van de spelers mag er vervolgens één inwisselen. Inwisselen mag alleen als de speler middels argumenten de andere spelers overtuigt. Ieder van de andere spelers heeft tijdens het spel één veto. De wisselende speler heeft maar één mogelijkheid dus na een veto of een wisseling is de beurt voorbij. Op deze manier wordt dus vier keer een goed verhaal verteld dat wel of niet wordt geaccepteerd dor de andere spelers. Na vier stappen heeft de groep hun optimale crossmediale middelenmix samengesteld, inclusief het verhaal dat erbij hoort. Dit verhaal kan na afloop verteld of gepresenteerd worden door ieder lid van de groep.